Maand: juli 2014

Deuntjes uit mijn jeugd

Op 17 juli zat er een opmerkelijk mailtje in de mailbox naar aanleiding van het onlangs gepubliceerde verhaal Ik wil het delen van Evert. Lees hier het verhaal van mevrouw Verhoeff over haar oorlogsherinneringen.

Kleine waterdropplen
kleine korr’len zand
vormen saam
de trotse zee
en het
schone land

Kleine liefdedaden
woordjes teer en zacht
hebben vaak
in ‘t
kleinste huis
‘t grootst
geluk gebracht

Uit de bundel: “Kun je nog zingen, zing dan mee”

Het meest troostende liedje, dat ik ooit heb leren zingen, toen ik nog een kleuter was. In de oorlog. Nog voor ik de strekking van de tekst begreep, was de melodie met de woordklanken voor mij iets wiegend troostrijks. Een melodie en tekst om zacht voor je uit te kunnen zingen, maar ook om het luidkeels uit te schreeuwen. En ik blijf het mooi vinden.

Ik heb vele deuntjes in mijn hoofd meegenomen uit mijn jeugd. Elk liedje hangt samen met een ander verhaal uit mijn jeugd. Uit mijn leven. Dit is er één van.

Mijn vader, die bij de politie zat, moeder en ik, kwamen direct vanuit kamp en gevangenis op Java, naar Celebes. Pinrang. Het heette een samenwerkingsverband met de politie. Gewoon de Politionele actie dus. Wij woonden in Pinrang vlak bij de tangsi, waar ik graag speelde. Als ik terugdenk aan die korte tijd daar, verbaas ik me over de tegenstrijdigheid van alles. En hoe soepel een kind, dat ik was, daarmee om kan gaan. Of beter gezegd, het accepteert als normaal dagelijks leven.

De voortdurende alertheid en angst van de volwassenen. Ieder moment kon er iets gebeuren. Wat er kon gebeuren? Van alles. Een overval, infiltratie, snipers, noem maar op…het kon allemaal daar en toen. Ook als kind was je daarvan doordrongen.

Tegelijk was er de ruimte om te spelen. Spel-avontuur. Wij handjevol kinderen die daar rond de tangsi woonden, speelden ‘koboitje’. ‘lasso-den’ de Bengaalse geiten die daar rondliepen en probeerden er op te rijden. Spannend en blauwe plekken opleverend. Van wie die geiten waren? Geen idee. Maar het was wel oppassen voor de bok met zijn gedraaide horens.

De nachten dat wij niet sliepen, maar waakten en wachten. Omdat er onophoudelijk tegen een raam van ons huis werd getikt. En als mijn vader naar buiten ging om te kijken, was er niets. De nachten dat wij weer eens met een jeep vluchtten naar Pare-pare. Ik werd onder een deken op de bodem van de jeep verborgen. Er zou weer eens een overval van de extremisten op Pinrang gepland zijn.

De soldaten in de tangsi, waarvan ik vaak wat lekkers kreeg. Chocola, keiharde bittere chocola uit Amerikaanse voedselpakketten. Een aantal van hen hadden een aapje dat zij tam maakten. Zo lief, vond ik die aapjes.
Mijn vader had op de achter-èmpèr zelfgevangen Bètèts en een kakatoea, ieder op een eigen hangstok met een dunnen ketting aan hun pootje. Zodat zij niet weg konden vliegen.

Maar ook de van hun patrouille terugkerende mannen, soldaten en politie. En wij kinderen stonden op afstand te kijken. Angstig en toch spannend. Ik herinner me duidelijk nog de dode die daar toen op de aloon-aloon lag.

In 1946 stierf mijn vader. “Aan verwondingen opgelopen tijdens een treffen tussen extremisten en politie” zei het rapport. Een sniper, zei iemand. Hij werd gecin-canged, zei een ander. Mijn moeder zei niets. Ik wist van niets.

Wij gingen terug naar Java. Naar mijn oma en opa van vaders kant. Oma vertelde mij dat mijn vader dood was. Voor mijn gevoel was hij gewoon verdwenen. Ik was toen zeven.

Evert, dank voor het delen.

Emmy Verhoeff

 

Advertenties

Als je het voelt, ben je overtuigd

Bijdrage Sabina de Rozario

Feedback krijgen op stukken die verschijnen op dit platform is erg prettig. Evert en ik ontvingen onlangs woorden van waardering op ons nieuwe project Tussen twee generaties. We zijn hier heel dankbaar voor, we worden dus gelezen en dat is een reden om energie te blijven steken in dit project. Na de waardering volgt regelmatig de vraag, persoonlijk of per mail, waarom we dit eigenlijk doen, wat is het nut van schrijven over de Indische cultuur? Op deze vraag wil ik graag een antwoord proberen te geven.

Copyright S. de Rozario

Vulkanen, een bekend beeld (van schilderijen) uit Indie

Toen ik een aantal jaar geleden in het huwelijk trad, werd trouwen door mijn leeftijdsgenoten als bijna ouderwets gezien. Een vriend vroeg mij zelfs  waarom wij in het huwelijksbootje stapten. ,,Omdat we het willen” wist ik te produceren. Na een tijdje erover te hebben nagedacht, had ik een beter antwoord gevonden dat ik hem had kunnen geven: ,,Je stelt me deze vraag omdat je het gevoel nog niet kent waarom je zelf zou willen trouwen. Anders zou je deze vraag niet stellen.” Trouwen gaat om gevoel van verbinding, van diepe liefde, een kroon op de relatie tussen twee mensen en bij wie een dergelijk gevoel niet aanwezig is, zal de reden van trouwen niet begrijpen. Zo is het ook met behoud van de Indische cultuur. Als je de noodzaak niet voelt om de Indische cultuur te behouden, dan kan ik je ook niet overtuigen van het nut ervan. Zodra je hetzelf voelt, ben je overtuigd van het belang.

Door mijn eigen ervaringen te publiceren en projecten te bedenken die bijvoorbeeld een brug slaan tussen verschillende generaties, hoop ik dat mensen gaan begrijpen waarom de eigen cultuur zo belangrijk is voor hen en de Indische gemeenschap. Aan de andere kant wil ik ook graag weten hoe anderen over het Indisch-zijn denken, wat mij weer nieuwe inzichten kan bieden, wat leidt tot nieuwe artikelen.

Tussen de regels door

Een gehoord commentaar is dat men praktische antwoorden verwacht van een platform als Door blauwe ogen. Het platform is niet opgezet om als handleiding te fungeren hoe om te gaan met jouw eigen Indische identiteit. Een streven is wel om hiermee te helpen, maar uiteindelijk geef je het zelf vorm. De auteurs beschrijven uit eigen ervaring en authentieke herinneringen over hun Indo-gevoel en wat de lezer daarmee doet, is voor iedereen verschillend. Cultuur, als gegeven, is natuurlijk niet zoals wiskunde waarbij een concreet antwoord uit een rekenmachine rolt. Ik heb ervoor gekozen om niet op belerende toon te schrijven dat we over Indisch-zijn moeten praten of dat men moet vinden dat cultuurbehoud een noodzaak is. Een eventuele boodschap in een artikel lezen de lezer tussen de regels door.

Vertrouwen

Wie er klaar voor is, zal begrijpen dat ons werk voor Door blauwe ogen, van belang kan zijn. Men kan leren van artikelen, een dialoog  beginnen met naasten of zelfs een eigen zoektocht naar de roots beginnen. Het is aan de lezer om interesse te hebben in hun geschiedenis en toekomst. Ik ben ervan overtuigd dat veel Indischen gaan inzien dat onze cultuur elke dag om ons heen is (en zou moeten blijven), en daar een steentje aan willen bijdragen. De Indische cultuur zal op die manier blijven voortleven op wat voor manier dan ook. En ons zal de vraag waarom we schrijven over het Indische niet meer worden gesteld, daar heb ik alle vertrouwen in. Vertrouwen net als in die vriend die mij vroeg waarom ik ging trouwen. Eind deze maand treedt hij, na een verkeringsperiode van 10 jaar, in het huwelijk met zijn verloofde. Hij voelt het nu zelf ook.

Sabina

Initiatiefnemer Door blauwe ogen

Ik wil het delen

Tussen twee generaties

Hier het antwoord van Evert op de vraag hoe hij met het verleden omgaat nav de email van Sabina (zie vorige publicatie). Bij het zien van de interneringskaart van zijn vader doet Evert een opmerkelijke ontdekking.

Beste Sabina,

De inhoud en de toon van je overpeinzing hebben me getroffen.

Het is volkomen begrijpelijk dat voor Indo’s van jouw generatie de oorlog in Indië en ook de bersiap ervaren wordt als een afschuwelijke tijd in het verre verleden. Dat afstandelijke besef wordt soms doorbroken door de confrontatie met authentieke verhalen van mensen die onder de bezetting geleden hebben en de verschrikkingen, de wanhoop en het verdriet van de bersiap aan den lijve hebben ondervonden. Toch blijft het vaak moeilijk om je in die tijd te verplaatsen.

Ik was tijdens de Japanse bezetting tussen de 4 en 7 jaar oud. Erg jong dus. Toch weet ik me zaken te herinneren. Ik voelde de angst van mijn moeder en grootmoeder die bij ons in huis was, als de Jap met veel misbaar weer huiszoeking kwam doen. Ik herinner me de ontreddering als ze gedwongen werden de gehate vlag met de rode bol in de tuin te hijsen of als de Jap met de punt van de bajonet op het lichaam gericht vroeg of ze pro of contra Japan waren….

Zo zijn er veel herinneringen die ik nog heb kunnen verifiëren en die in overeenstemming zijn met wat er gebeurd was. De tijd van de bersiap kan ik me veel scherper herinneren omdat ik toen ouder was. Ik herinner me zelfs flarden van politieke discussies die mij vader met familie en vrienden voerde over de heersende situaties. Ik was nu eenmaal erg nieuwsgierig naar dat soort zaken. Maar over mijn herinneringen van de bezetting en de bersiap later misschien meer als je dat interesseert.

Deel interneringskaart de heer Mutter

Deel interneringskaart de heer Mutter met de data en kampen waar hij verbleef. Op de onderste regel staat vermeld dat hij op 15 september 1945 naar de haven van Nagasaki is overgebracht waarna de bevrijding volgde.

Ontdekking

Terug naar jouw verhaal over de sporen van jouw opa. Ik ben door jouw mail en de confrontatie met de interneringskaart van mijn vader in een soort van rollercoaster van herinneringen en emoties geraakt. De ontdekking dat mijn vader en jouw opa in Fukuoka en Manilla hebben gezeten, maakte bij mij weer alle herinneringen los over de tijd dat wij op Celebes waar wij van 1945 tot 1947 de bersiap meemaakten. Er kwamen weer namen boven en gebeurtenissen en verhalen. In Het Indisch Huis ben ik een aantal oude mannen tegen gekomen die ik nog kenden uit die tijd. Ze waren erg verbaasd dat ik me de namen nog wist te herinneren van mensen en plaatsen die zij alweer vergeten waren. Ook bij hen heb ik veel van wat ik nog wist kunnen verifiëren om te kijken of mijn herinneringen klopten.

De confrontatie met de interneringskaart maakte emoties los. Natuurlijk wist ik dat hij in Fukuoka had gezeten, de bom had meegemaakt en in de mijnen te werk was gesteld. Ik kende de afschrikwekkende verhalen, hoe hij kou en honger gelden had. De wreedheid van de Jap en het gevoel van machteloosheid en onzekerheid over het lot van vrouw en kinderen. Helaas is mijn vader, mede omdat zijn gezondheid na zijn krijgsgevangenschap erg te wensen overliet, in Nederland op 45-jarige leeftijd overleden. Ik was toen 13 jaar oud.

Tabaksblik

Door het zien van de interneringskaart leek het net of al die verhalen in eens bijna concreet werden. Ik zag zijn naam, de naam van mijn moeder en het adres in Batavia waar we toen woonden. Dat zal ook het adres zijn geweest waar ik geboren werd. Ik herinner me ook dat mijn vader uit krijgsgevangenschap zijn tabaksblik had meegenomen. Dat was zo’n tinkleurige plat blikje. Op het deksel had hij, zeer primitief, met een scherp voorwerp een aantal krijgsgevangenen in hun pendek en broodmager, ingekrast. En op de bodem van het blikje het aandoenlijk gedichtje: Kleine liefde daden, woordjes teer en zacht, hebben vaak in het kleinste huis, het grootste geluk gebracht.

Nogmaals erg aandoenlijk en misschien wel lamentabel, maar het laat wel zien hoe de mensen zich vaak voelden in die hopeloze situatie. Al deze herinneringen en gevoelens kwamen weer boven en ook ik had de behoefte om ze met iemand te delen. Ik stuurde een enthousiaste mail naar een jongere zuster en een neef die meestal wel interesse heeft in dit soort zaken , maar ik heb geen reactie terug ontvangen. Jouw verzuchting geldt helaas blijkbaar niet alleen voor de derde generatie maar ook voor vertegenwoordigers van de tweede.

Dat stemt me wel pessimistisch. Of ben ik een overgevoelig type dat bij de aanblik van een simpele interneringskaart en dan nog wel op internet, emotioneel wordt? Dit soort ervaringen weerhouden mij ook vaak van om zaken te bespreken of op papier te zetten.

Met groeten,
Evert

Hoe ga jij om met vroeger?

Tussen twee generaties

Sabina, derde generatie Indo, schrijft in een email aan Evert, tweede generatie, over hoe zij zich voelde toen zij de interneringskaart van haar opa voor zich zag. Ze vraagt Evert hoe hij omgaat met het oorlogsverleden. Deze email is de verkorte versie van het artikel De sporen van opa, eerder gepubliceerd op dit platform en Javapost.nl.

Bovenkant interneringskaart

Deel van interneringskaart van mijn opa

Beste Evert,

Voor een artikel voor Javapost en het platform ben ik opzoek gegaan naar de interneringskaart van mijn opa. Op de kaart is bijgehouden waar hij tijdens de Tweede Wereld Oorlog is geinterneerd geweest. Ik wil je vertellen over de bijzondere ontdekking die ik deed.

Mijn oma vertelde mij al op vroege leeftijd dat mijn opa als krijgsgevangenene tijdens de Tweede Wereld Oorlog aan de Birma spoorlijn heeft gewerkt. Ik was nog te jong om deze kennis met me mee te dragen, maar ik had geen keuze, het werd me gewoon verteld. Doordat ik mijn opa nooit heb gekend, bleven zijn gruwelijke ervaringen op een bepaalde afstand van mijn gevoel.

Jaren later vertelde oma, zonder aanleiding, dat opa vroeger ook naar Japan is gezonden om in de mijnen te werken. Ik hoorde dit verhaal aan, maar dacht dat het misschien niet waar kon zijn. Oma was al oud, wellicht vergiste zij zich. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat krijgsgevangenen die Thailand hebben overleefd ook nog eens naar Japan werden gestuurd. Voor mij was het verhaal over de Birma Spoorlijn al erg genoeg, daar paste niet nog eens een interneringskamp in Japan bij.

Cornelis de Rozario, jaartal onbekend

Cornelis de Rozario, jaartal onbekend

Leed op papier

Via de site Gahetna.nl zocht ik de interneringskaart van mijn opa op. Op de voorkant van de kaart stond informatie in het Japans en Engels, op de achterkant alleen in het Japans. Mijn ademhaling stokte bij het zien van zijn gegevens, ik vond dat enorm confronterend. Dit betekende dat mijn opa echt in een interneringskamp heeft gezeten. Natuurlijk heb ik nooit getwijfeld aan dit verhaal, maar het zien van het bewijs zeventig jaar na dato maakte het echt. Het maakte het leed, waarover ik had gehoord, emotioneler. Wat voor me lag was leed op een stukje papier.

Hoe meer ik naar de kaart keek, des te meer vragen er rezen. Ik werd er onrustig van. Het vertalen van de Japanse tekst zou mij meer inzicht geven in de reis die mijn opa heeft afgelegd en wat er onder het geheimzinnige kopje ‘other information’ zou staan. Een vriendin vertaalde de tekst voor me. De eerste regel van de kaart las zij hardop voor: 1942 oktober 24 kamp in Nagasaki. Ik dacht: dit is een slecht begin. Nagasaki was zeker niet de plek waar je moest zijn gezien de atoombom die er jaren later zou gaan vallen. Ik vroeg nogmaals of het klopte, maar het kon niet missen dat er Nagasaki stond.

De informatie op de achterkant van de interneringskaart meldde een verplaatsing naar een nieuw kamp op 21 juni 1945, dit maal Fukuoka 2. Door onderzoek kwam ik te weten dat in kamp Fukuoka 2 ook gevangenen zaten die eerder in Thailand waren geweest. Het was dus toch mogelijk, eerst werken aan de Birmaspoorlijn en daarna naar Japan. Veel mensen is niets bespaard gebleven tijdens deze oorlog bedacht ik me.

Het gevoel wat ik had bij het begin van het ontcijferen van de kaart, bleek gegrond. Nog geen twee maanden nadat mijn opa in kamp Fukuoka aankwam, viel enkele kilometers verder op in Nagasaki de atoombom. Hij was daar dus, op de meest slechte plek waar men op dat moment maar zijn kon. Dit feit vond ik de ergste ontdekking. Het maakte de oorlog erger dan erg en eindelijk kwam het verhaal tot me.

Het raadsel over een transfer naar een kamp in Manilla loste tijdens het lezen op verschillende websites vanzelf op. De geallieerden vervoerden na de bevrijding de voormalige krijgsgevangenen via de Filipijnen naar het land van afkomst.

Opa Cor de Rozario, linksonder

Opa Cor de Rozario, linksonder

Leeftijdsgenoten

In al mijn enthousiasme heb ik mijn ‘ontdekking’ met mijn Indische generatiegenoten gedeeld. Gek genoeg, was ik eenzaam in mijn passie die ik had om de interneringskaart op te zoeken en te vertalen. Ik begreep niet waarom mijn vrienden geen interesse hadden in hun grootouders en in de oorlogsgeschiedenis die zo bepalend is geweest voor onze Indische gemeenschap. Enkele uitzonderingen daar gelaten, want er zijn jongeren die wel interesse hebben. Die wel voelen dat die oorlog ook een deel van hen is.

Evert, heb je ook de interneringskaart van jouw vader ooit opgezocht? Of weet je de exacte verblijfplaats van hem tijdens de oorlog? Heb het nog weleens over ’42-’45? Wat ik graag wil weten, wat ervaar jij bij het zien van zijn interneringskaart?

Hopelijk mail je me snel terug,

Sabina

Ik weet niet beter

Bijdrage van Patrick Wouters

,,En jou schop ik terug naar Indië!”, beet de buurvrouw van één hoog mij ongemeen fel toe. Klaar met iedereen die bij haar belletje trok en witte aalbessen tegen het slaapkamerraam blies. Ziedend stoof zij naar beneden. En ik stond erbij en keek ernaar, terwijl de boosdoeners zich uit de voeten maakten.

Zal ik acht jaar geweest zijn dat ik mij voor het eerste bewust was van mijn Indische afkomst, die zomerdag in de Seventies? Of was het iets vanzelfsprekends? Buurtkinderen riepen zolang ik mij kan heugen: ,,Pinda, Pinda, Poepchinees”. Ik heb werkelijk geen idee meer.

Een zeer jonge Patrick

Een zeer jonge Patrick

Waar ik opgroeide waren we omringd door Indische families. Dat voelde heel vertrouwd. Ook al was iedereen erg op zichzelf. Ik wist niet beter. En toen ik in de zesde klas lagere school (groep 8) iets over mijn afkomst moest vertellen, gaf ik bloedserieus aan tot ‘het bruine ras’ te horen. Mijn schoolmeester verzekerde me echter dat ik toch echt een Nederlandse jongen was en dat mijn ouders ook gewoon Nederlands waren.

Op de middelbare school, ten tijde van de de Molukse treinkapingen, vroegen Hollandse leerlingen aan mij: ,,En? Waar is je vader?”, om vervolgens keihard tegen mijn schenen te schoppen. De grootste pestkop van het stel (racistisch aangelegd), werd niet lang daarna getroffen door een dodelijke ziekte, waarop een Indische klasgenoot nuchter reageerde met ,,God straft meteen!”.

Mijn eerste vakantiebaan was overigens bij een Indische toko annex restaurant. Een andere job kon ik mij gewoonweg niet voorstellen. Ik heb een paar keer gespijbeld om op Pasar Malams te kunnen werken.

Toen Vrij Nederland in de jaren tachtig de bijlage wijdde aan Indo’s (In Nederland Door Omstandigheden) ben ik me vrijwel zeker meer gaan verdiepen in die Indische achtergrond. Het was de tijd dat Marion Bloem debuteerde met Geen gewoon Indisch meisje, dat voor velen een feest der herkenning was.

,,Goh, Pat heeft ook een kleurtje”, was een reactie als ik in de ogen van sommige collega’s iets te bewust van mijn Indische afkomst was. Ook jaren later waren er die maar niet begrepen wat ik met ‘het Indische’ had: ,,Je ziet er helemaal niet Indisch uit.” Overigens werd ik tijdens mijn eerste rootsreis in Bukittinggi op een zebrapad aangehouden door een oud Indonesisch echtpaar:

,,Meneer, bent u een Indische jongen?”
,,Euh, Ja?”, reageerde ik verbaasd.”
,,Wij ook! Goedendag en welkom in Bukittinggi”, mij in verwondering achterlatend.

Terwijl ik dit schrijf en pieker over een afsluiting, vraag ik aan mijn dochter van zeventien (een ‘Twijfel Indo’ ;-):

,,Wanneer ontdekte jij eigenlijk dat je Indisch was?”
,,De eerste keer dat we naar de Pasar gingen, pap.”

Ik bedenk me dat het altijd op de achtergrond meespeelt. Bij alles wat ik doe en heb gedaan, is die Indische achtergrond aanwezig. En blij vlagen denk ik, wat doet het ertoe? En, ja, het doet ertoe. Het maakt me de persoon die ik ben, zelfs als ik het even bosėn ben.

Patrick

Even voorstellen: Patrick Wouters (Den Haag, 1962). Indische ouders. Communicatieadviseur. Offline en online actief rond het Indische sinds 1982. Website: http://www.indischalbum.nl en http://www.senangproducties.nl. Start binnenkort met 3e generatie Indo Melissa Trouerbach de Facebookpagina E-Indo (healthy lifestyle items met een Indo twist).